Andy Murray is geen publiekstrekker

Andy-Murray-Rotterdam-2014-R2_3083313

Als je dan toch lastminute een vervanger moet aantrekken voor Australian Open-kampioen Stanislas Wawrinka – ‘the man of the hour’ – dan doe je het op het oog fantastisch met heersend Wimbledon-kampioen Andy Murray. Maar dat de Schot geen Roger Federer of Rafael Nadal is bleek uit de halflege tribunes in Rotterdam.Andy-Murray-Rotterdam-2014-R2_3083313

Blijkbaar kun je als tennistoernooi over het allersterkste deelnemersveld beschikken met vijf tennissers uit de mondiale top-10 en dan als toeschouwer nog het gevoel hebben dat er iets mist. Nederlanders gaan niet vanuit Groningen, Zwolle, Bergen op Zoom, Venlo, Breda of Buren met de trein of de auto naar Rotterdam reizen om Andy Murray te zien of Tomas Berdych, Richard Gasquet of Marin Cilic. Nee, voor de gemiddelde Nederlander is er maar één tennisser waar je een kaartje voor wilt kopen en dat is halfgod Roger Federer.

De man met de meeste Grandslam-titels, het mooiste tennis, de beste speler aller tijden, met het besef dat hij niet eindeloos blijft tennissen. Vorig jaar trilde de lucht gewoon net wat meer in die oude bak die Ahoy onderhand is. Trillende lucht omdat Roger Federer, zoon van God, aanwezig was om ons, zijn tennisdiscipelen, weer even te laten zien hoe de ideale tennisser speelt. De handtekeningen- en fotosessies, zijn uitgebreide persconferenties, het hoorde allemaal bij de miljoen euro die de Zwitser ongeveer opstreek in Rotterdam. Maar het was goed besteed geld, het toernooi verbrak ondanks het snelle verlies van Federer tegen de Fransman Julien Benneteau het toeschouwersrecord.

Rafael Nadal, de linkshandige, in alles het tegenovergestelde van Federer, was ook zeker een kijkcijferkanon gebleken in Rotterdam. Nadal is bijna net zo’n grote publiekstrekker als Federer. De nummer 1 van de wereld, maar vooral een icoon, een fenomeen, een killer met een extreem hoge aaibaarheidsfactor. “It was tough match,” zegt de visserszoon als hij weer eens iemand met 6-0 6-1 van de baan blaast. “It’s gonna be tough, but I’ll try my best,” is het mantra van Nadal. Het voelt nauwelijks geforceerd aan. De eeuwige underdog, dat is gewoon de rol die de Spanjaard met z’n broze knieën altijd met verve speelt. Ook als hij al zeshonderd keer van Federer achter elkaar heeft gewonnen. “It’s gonna be though. but I’ll try my best,” je ziet het hem voor de spiegel oefenen. Net als die honderd keer aan z’n haar zitten en aan z’n bilnaad. Hoort er allemaal bij.

Nadal is een soort action figure poppetje dat je bij de Bart Smit kan kopen, maar dan met een ziel. Een ziel van nederigheid, nooit opgeven en snoeihard werken om iets te bereiken. Het spreekt ons allemaal aan. Hij doet wat wij – mislukte tennissers met mislukte forehands en angst om te verliezen – niet meer ambiëren of nooit kunnen: de mentaal allersterkste ter wereld zijn. Nadal of Federer hadden Ahoy uitverkocht getennist. Of desnoods Novak Djokovic. Die heeft zeker niet zoveel fans als Federer of Nadal, maar hij wil dat zelf wel heel graag. Het is misschien wel één van de redenen dat hij Boris Becker aan zijn coaching staff heeft toegevoegd. En ergens wil de gemiddelde Nederlander liever Djokovic zien dan Murray. De Serviër is een van de meest complete tennissers van zijn generatie, hij scheurt af en toe een shirt kapot, imiteert eens iemand en speelt eigenlijk al bijna een paar jaar foutloos tennis. Vraag is of hij ook daadwerkelijk voor meer kaartverkoop had gezorgd. Want afgelopen week waren de berichten bij de winkels (“veel minder omzet dan vorig jaar”) en op de tribune (“het is hier nooit zo leeg als nu”) vrij depressief. En dat kwam door die chagrijnige Schot die op de baan stond beneden. Een miljoen euro zal hij niet hebben gekregen, maar een paar ton toch zeker wel.

Hij, de Wimbledon-kampioen. De man die vier Grandslamfinales moest verliezen, net als zijn mentor Ivan Lendl. De man met de meest irritante tennismoeder aller tijden. Kijk naar Judy Murray en snap de worsteling van Andy. Hoe moet je als moeder niet je kind aanmoedigen? Nou, zoals Judy, die fanatieker is op de tribune dan Andy op de baan. Andy deelt dezelfde humor als die van Lendl, die nog nooit betrapt is op een grap of glimlach. Laat staan om schaterlachen. Iemand uit het communistische Tsjecho-Slowakije doet niet aan schaterlachen. Dat doet de vriendin van Murray ook niet. Die zit er als duur porselein bij en verrekt geen spier. En wat doet ‘de grote lastminute aangetrokken publiekstrekker’ in Ahoy? Hij doet aan zelfmutilatie.  Het briljante 20-jarige Oostenrijkse talent Dominic Thiem slaat winner na winner. En Murray? Hij pakt zijn racket en straft zijn eigen lichaam. Eén keer, twee keer, drie keer, vier keer slaat hij zichzelf met z’n racket. Is-ie gek? De Wimbledon-kampioen tegen een talent van buiten de top-100 dat net komt kijken. Een talent van een leeftijd waar Nederland er dus geen één  heeft. Rond de twintig is het een woestijn van talent in Nederland. Niet voor niets dat de berichten al doorsijpelen dat de tennisbond de bondsjeugdopleiding gaat hervormen.

Maar Murray dus. Is er vier maanden uit geweest met een operatie aan z’n rug. En raakt de eerste set tegen Thiem alles half. Op de tribune was niet bij te houden hoe vaak Murray de bal half raakte. Hij raakte gewoon geen pepernoot. En dan hoorden we ook nog dat er vijftig rackets voor hem worden bespannen met dure darmsnaren. Je vraagt je af of je racket met darmsnaren bespannen zin heeft als je een bal vaak met je frame raakt. Andy Murray – je zou denken dat ie veranderd was – laat in Ahoy weer eens zien wie hij in essentie is: een chagrijnige Schot die op de baan een slecht voorbeeld is voor de jeugd. Waarom? Omdat met je racket je lichaam slaan best vermakelijk kan zijn. Maar niet als je als groot kampioen tegen een talentje speelt. En zeker niet als je dan nog wat betreft tennis eigenlijk helemaal niet attractief speelt.

Tegen Thiem (6-4, 3-6, 6-3) beperkte de Schot zich voornamelijk tot terugslaan, zodat de Oostenrijker grote delen van de wedstrijd het tempo bepaalde. Thiem slaat een winner. Murray slaat zichzelf weer een paar keer met het racket. Het zal de komende jaren misschien wel het lot zijn van Murray. Misschien wordt hij aan de hand van Lendl een nog groter kampioen, maar een publieksspeler zal ie nooit worden. In wezen is hij niets anders dan de perfecte counterpuncher, die zichzelf heeft aangeleerd in de grote wedstrijden aanvallend te spelen, omdat hij anders nooit van een Federer, Nadal of Djokovic zou kunnen winnen.

Maar zo in Ahoy kijk je dus naar de martelgang van een sporter die zichzelf continue straft, behalve dat je kunt zeggen dat je de Wimbledon-kampioen live hebt zien spelen. Dat Murray vrij eenvoudig verloor van de ontketende Marin Cilic was ook wel te verwachten. Spelers als Gaël Monfils en bad boys Jerzy Janowicz en Ernests Gulbis zijn leuker om naar te kijken. Natuurlijk had het ABN AMRO WTT ook last van de Olympische Winterspelen, maar ik denk toch dat toernooidirecteur Richard Krajicek afgelopen week toch even in zijn telefoon heeft gekeken of hij Roger Federer en Rafael Nadal nog in zijn adressenboek heeft staan. En anders Djokovic. Want Murray, daar pak je de trein naar Rotterdam niet voor uit – pak ‘m beet – Zwolle.

 

Geef een reactie